Bijbelse achtergronden voor een Groene Goede-Herder-Kerk

Bij een bezinning over milieuproblematiek is het goed om te bezien wat de Bijbel, als het Woord van God, ons heeft te zeggen. We willen bij een aantal Schriftplaatsen stilstaan.

Gods schepping en het doel daarvan

Toen God de wereld had geschapen constateerde Hij dat Zijn scheppingswerk zeer goed was (Gen.1:31). Die constatering is voor ons van groot belang, want als de Heer van de schepping al een dergelijk oordeel geeft over zijn eigen werk, wie zijn wij dan om daaraan af te doen? In woord en daad zullen we de eerbied tot uitdrukking moeten laten komen die een schepsel tegenover zijn Schepper past.

Ook op andere plaatsen komt Gods macht en heerschappij tot uiting. In Lev.25:23 stelt God dat het land niet voor altijd verkocht zal worden: ‘…want het land behoort mij toe,…

In Psalm 24:1 staat: ‘Van de Heer is de aarde en al wat leeft, de wereld en wie haar bewonen.’.

Job moet na zijn aanklacht tegen God erkennen dat hij maar een gering mens is die tegenover de almachtige slechts op bescheiden wijze heeft te spreken (Job 28:34-38).

Kortom het moet duidelijk zijn wat onze positie is en wiens eigendom de schepping is.

Psalm 104 beschrijft op een prachtige wijze het scheppend handelen van God. Vers 24 vat dat samen met de woorden: ‘Hoe talrijk zijn Uw werken, Heer. Alle hebt u met wijsheid gemaakt, vol van Uw schepselen is de aarde.’.

Het doel van dat alles wordt in Psalm 24:31 beschreven: ‘De luister van de Heer moge eeuwig duren, laat de Heer zich verheugen in Zijn werken.’. Gods macht en majesteit staan centraal.

Colossenzen 1:16 en 17 vatten het voorgaande mooi samen: ‘alles is voor Hem en door Hem geschapen. Hij bestaat vóór alles en alles bestaat in Hem.’.

De mens heeft binnen de schepping een bijzondere plaats gekregen. Psalm 8:6 en 7 verhaalt daarvan: ‘U hebt hem bijna een god gemaakt, hem gekroond met glans en glorie, hem toevertrouwd het werk van Uw handen en alles aan zijn voeten gelegd’.

Ook Gen.1:26 spreekt over het heersen over de schepping: ‘God zei laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en alles wat daarop rondkruipt.’.

De laatste twee teksten zouden volgens critici de grondslag hebben gevormd tot de uitbuiting van de schepping. In de optiek van deze mensen zijn de hedendaagse milieuproblemen met name een gevolg van het christelijk geloof. Die problemen zouden veroorzaakt zijn vanwege de scheiding tussen het ‘geestelijke’ en het ‘materiële’, die het christendom in de werkelijkheid zou hebben aangebracht.

Lezen we de teksten echter in samenhang met voorgaande en nog volgende teksten, dan is een dergelijk verwijt geheel onterecht. Het christelijk geloof gaat juist uit van een ’integrale kijk’ op de geschapen werkelijkheid. Andere schepselen dan de mens zijn niet ‘minderwaardig’ of van ‘een lagere orde’. Elk schepsel heeft waarde in zichzelf, juist vanwege het geschapen zijn.

Als God in Gen.2:15 de zogeheten ‘Cultuuropdracht’ aan de mens geeft, dan is daar sprake van ‘bewerken én bewaken’: ‘God, de Heer, bracht de mens dus in de tuin van Eden, om die te bewerken en erover te waken.’. God wenst in de omgang van de mens met de schepping evenwicht.

Wat God van ons wil, lezen we ook in Romeinen 12:2: ‘U moet uzelf niet aanpassen aan deze wereld, maar veranderen door uw gezindheid te vernieuwen, om zo te ontdekken wat God van u wil en wat goed, volmaakt en Hem welgevallig is.’.

Dat is nogal wat anders dan uitbuiting van Gods schepping. Het betekent overigens niet dat de mens geen grote rol speelt in de hedendaagse milieuproblemen. Veel van die problemen worden ten diepste veroorzaakt door de hebzucht van de mens. Ook wat dat betreft laat Gods Woord ons niet in
het ongewisse. In 1 Tim.6:10 lezen we: ‘Want de wortel van alle kwaad is geldzucht’. Daar waarschuwt ook Lucas ons voor. Lucas 12:15: ‘Pas op, hoed je voor iedere vorm van hebzucht, want iemands leven hangt niet af van zijn bezittingen, zelfs niet wanneer hij die in overvloed heeft.’.

De gevaren van hebzucht en geldzucht

Hebzucht en geldzucht maar ook haast zijn krachten waarvan we de negatieve effecten niet snel kunnen onderschatten. Dat rijkdom ook het geestelijk leven in gevaar kan brengen lezen we in de gelijkenis van de zaaier: Mat.13:22: ‘Het zaad dat tussen de distels is gezaaid, dat zijn zij die het woord horen, maar bij wie de zorg om het dagelijkse bestaan en de verleiding van de rijkdom het woord verstikken, zodat het zonder vrucht blijft.’.

Dat welvaart kan leiden tot afval van God, daarvan is sprake in Deut.32:15: ‘Toen werd Jesurun (dat staat voor het volk Israël D.S.) vadsig en vet, het raakte verzadigd, werd dik en rond. Het kwam in verzet, liep weg van zijn schepper, versmaadde zijn stut en steun, zijn rots’.

Jacobus wijst in hoofdstuk 5:5 en 6 in soortgelijke bewoordingen op de gevaren van de welvaart: ‘U hebt op aarde in weelde gebaad en losbandig geleefd, u hebt uzelf vetgemest voor de slachttijd. U
hebt de rechtvaardige veroordeeld en vermoord, en hij heeft zich niet tegen u verzet.’.

Ook Israël als volk is het zo vergaan. In Amos 6:4-7 staat te lezen: ‘Jullie liggen maar op je ivoren bedden, hangen op je divans, eten lammeren uit de kudde en kalveren uit de stal. Luidkeels zingen jullie bij de harp, en jullie denken te spelen als David zelf. Uit grote schalen drinken jullie wijn, en met de beste olie wrijven jullie je in, maar jullie lijden er niet onder dat Jozefs volk ten onder gaat. Daarom gaan jullie nu als eersten in ballingschap ; het gefeest en geluier is voorbij.’.

Kortom waarschuwingen te over tegen de gevaren van rijkdom en overvloed. Ook de Here Jezus heeft het gevaar van de rijkdom meerdere malen aan de orde gesteld. Zo lezen we in het verhaal van de rijke jongeling in Mat.19:23: ‘Jezus wendde zich tot Zijn leerlingen: ‘Ik verzeker jullie: slechts met grote moeite zal een rijke het koninkrijk van de hemel binnengaan.’.

Lezen ook wij vervolgens niet het liefst snel verder in de tekst waar Jezus, op de vraag van de discipelen: wie kan dan nog gered worden? antwoordt: ‘Bij mensen is dat onmogelijk, maar bij God is alles mogelijk.’. Zien wij dit antwoord van Jezus niet als een soort ontsnappingsclausule waarmee we ons geweten kunnen sussen?

Openbaring 18:3 beschrijft in de val van de stad Babylon tot welke decadentie de rijkdom kan leiden: ‘Alle volken hebben door haar ontucht de wijn van haar wellust gedronken, de koningen op aarde hebben ontucht met haar gepleegd en de handelaars op aarde zijn van haar overvloedige
weelde rijk geworden.’.

In de verzen 11-17 gaat de aanklacht verder: ‘De handelaars op aarde treuren en rouwen om haar, want er is niemand die haar waren nog wil kopen: goud en zilver, edelstenen en parels, linnen, purperen stoffen, zijde, scharlaken stoffen, cipressenhout, allerlei voorwerpen van ivoor, en van dure houtsoorten, van brons, ijzer en marmer, kaneel en kardemom, reukwerk en balsem, wierook, wijn en olijfolie, meel en tarwe, runderen en schapen, paarden en wagens, slaven en lijfeigenen. Verloren zijn de vruchten waar je hart naar uitging, verdwenen al je rijkdom, alle weelde – dat alles is
voorgoed voorbij. Degenen die hierin handelden en die hun rijkdom aan haar te danken hebben, blijven op een afstand, ontzet door de straf die zij krijgt. Ze treuren en rouwen om haar en zeggen: Wee!, Wee grote stad! Je droeg linnen, purperen en scharlakenrode kleren, en gouden sieraden,
edelstenen en parels. Maar in één uur tijd is heel je grote rijkdom vernietigd.’.

Het zal duidelijk zijn dat we geldzucht en hebzucht als oorzaak van allerlei problemen, ook van de hedendaagse milieuproblemen aan moeten wijzen. Wil dat dan zeggen dat God alleen maar een God van armen is? Dat Hij overvloed niet wil en dat we niet zouden mogen genieten van al het goede dat de schepping geeft? Dat zeker niet! God gaf juist vaak, als vrucht van waar en oprecht geloof, welvaart en overvloed. Ook het volk Israël zou in een land komen: ‘overvloeiende van melk en honing’. Maar het komt er in die situatie wel op aan hóe we met die zegeningen omgaan.
Psalm 62:11 geeft ons wat dat betreft een wijs advies: ‘…ook al groeien geld en goed, houdt je hart ervan vrij.’.

Het komt op het hart aan

Het komt ook hier weer op het hart aan. Mozes moest daar, bij de keuze van de oversten over het volk Israël ook op letten. Exodus 18:21: ‘Maar zoek daarnaast onder het volk een aantal doortastende, vrome mannen, die betrouwbaar zijn en zich niet laten omkopen (de NBG 51 spreekt hier over degenen ‘die winstbejag haten’) en geef hun de leiding.’

Met het oog hierop wees de Here Jezus de Schriftgeleerden en de Farizeeën, de leiders van die tijd, spijkerhard op de verkeerde instelling van hun hart. Mat.23:23 t/m 25: ‘Wee jullie, Schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, jullie geven tienden van munt, dille en komijn, maar veronachtzamen wat in de wet zwaarder weegt: recht, barmhartigheid en trouw, terwijl men het één zou moeten doen zonder het ander te laten. Blinde leiders zijn jullie, die uit hun drank de muggen ziften, maar een kameel wegslikken. Wee jullie Schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars, de buitenkant van bekers en schalen spoelen jullie af, maar de binnenkant blijft vol roofzucht en onmatigheid.’.
En wat te denken van vers 27: ‘Wee jullie Schriftgeleerden en Farizeeërs, huichelaars, jullie lijken op witgepleisterde graven, die er vanbuiten wel fraai uitzien, maar vol liggen met doodsbeenderen en andere onreinheden.’.

Maar hoe staat het er met ons voor? In het al eerder aangehaalde Bijbelgedeelte over de rijke jongeling gaat het er niet zozeer om rijkdom ‘op zich’ af te wijzen, maar wel het verslááfd zijn aan de rijkdom, het geen afstand kunnen doen van welvaart en overvloed. Je zou kunnen zeggen dat we in ons arbeiden niet krampachtig moeten streven naar rijkdom of armoede, maar dat we gewoon ons werk moeten doen en het maar aan de Here over moeten laten of en in hoeverre hij zegent.

Van die instelling spreekt ook Spreuken 30:8 en 9: ‘Houd me ver van leugen en bedrog. Maak me niet arm, maar ook niet rijk, voedt me slechts met wat ik nodig heb. Want als ik rijk zou zijn, zou ik u wellicht
verloochenen, zou ik kunnen zeggen: ‘Wie is de Heer?’. En als ik arm zou zijn, zou ik stelen en de naam van mijn God te schande maken.’.

Ook Micha 6:8 duidt op een dergelijke levensinstelling: ‘Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de Heer van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.’.

Verantwoorde rijkdom en welvaart

Paulus zit op diezelfde lijn als hij enerzijds in 1 Tim.6:8 stelt: ’Wij hebben voedsel en kleren, laten we daar tevreden mee zijn.’. In de NBG-vertaling uit 1951 werd hier overigens ook nog ‘onderdak’ genoemd.

Anderzijds ziet Paulus het in dit Bijbelgedeelte ook als een gegeven dat er rijken zijn. Over die groep zegt hij in 1 Tim.6:17 en 18 vervolgens: ‘Draag de rijken van deze wereld op niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet in zoiets onzekers te stellen als rijkdom, maar op God, die ons rijkelijk van alles voorziet om er van te genieten. En draag hun op om goed te doen, rijk te zijn aan goede daden, vrijgevig, en bereid om te delen.’.

De eerste christengemeente begreep goed wat er van hen gevraagd werd en hoe zij met de ontvangen materiële zegeningen om dienden te gaan. In Hand.2:44 en 45 lezen we: ‘Allen die het geloof hadden aanvaard, bleven bijeen en hadden alles gemeenschappelijk. Ze verkochten al hun bezittingen en verdeelden de opbrengst onder degenen die iets nodig hadden.’. In Hand.4:32 t/m 34 komt Lucas hierop terug: ‘Geen van hen beschouwde zijn bezittingen als zijn persoonlijk eigendom, want ze hadden alles gemeenschappelijk.(…)Niemand onder hen leed enig gebrek: wie een stuk grond of een huis bezat, verkocht het, bracht de opbrengst naar de apostelen en legde die aan hun voeten neer, waarna het geld naar behoefte onder de gelovigen werd verdeeld.’.

In de laatste twee Bijbelgedeelten wordt enkele malen gesproken over ‘alles gemeenschappelijk hebben’. Het valt echter op dat in de eerste christengemeente geen gedwongen collectivisme heerste. Het álles gemeenschappelijk hebben en de heersende vrijgevigheid was gebaseerd op
vrijwilligheid. Dat blijkt ook heel duidelijk uit de woorden die Petrus in Hand.5:4 spreekt tegen Ananias en Saffira: ‘Je had het (de opbrengst van de grond, D.S.) immers niet hoeven te verkopen, en nu je het wel verkocht hebt, had je met de opbrengst toch kunnen doen wat je wilde? Wat heeft je bezield om je zo te gedragen?’.

Het is goed om onszelf ook af te vragen of wij heden ten dage die kenmerken van de eerste christengemeente nog in voldoende mate dragen of dat we als Bijbelgetrouwe christenen onbewust ook zijn geïnfecteerd door het virus van het individualisme op grond waarvan onze kijk op ‘eigendom’ en ‘bezit’ sterk is gekleurd. Of is onze samenleving niet meer te vergelijken met de toenmalige samenleving?

Het valt op dat in Handelingen 4 gesproken wordt over verdeling van het geld ‘naar behoefte’. Van dat goede principe is ook in Exodus 16:17 en 18 sprake, waar over de verdeling van het manna staat te lezen: ‘De één verzamelde veel, de ander weinig. Toen ze het namaten, hadden zij die veel verzameld hadden niet meer dan een Omer, en zij die weinig verzameld hadden niet minder, terwijl toch iedereen zo veel had genomen als hij nodig had.’.

Het zijn indringende vragen die we ook aan onszelf kunnen stellen. Hoe hoog stellen wij onze behoeften en wat verstaan wij onder het genoegen nemen met onderhoud en onderdak? Het voorgaande heeft ook te maken heeft met de milieuproblemen van onze tijd en de mogelijke aanpak daarvan.

Schepping in ademnood

In onze tijd is wereldwijd sprake van ernstige milieuproblemen. Zo is er al vele decennia lang sprake van vervuiling van bodem, water en lucht. Denk ook aan de schrikbarende terugloop van het aantal plant- en diersoorten. En het meest recent: de klimaatproblematiek. De schepping gaat gebukt onder
de gebrokenheid die een gevolg is van de zondeval.

Ook in de Bijbel is reeds sprake van het in nood verkeren van de schepping. In Romeinen 8:20 schrijft Paulus: ‘Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil, maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen.’ En in vers 22: ’Wij weten dat de hele schepping nog altijd als in barensweeën zucht en lijdt.’. Dat zijn termen die aangeven dat het lijden van de schepping heftig is.

Ook in Bijbelse tijden was reeds sprake van de aantasting van de schepping. In Jesaja 24:3-6 lezen we: ‘De aarde wordt geheel verwoest en volkomen leeggeplunderd’(…) De aarde treurt en verwelkt, de wereld verwelkt en kwijnt weg. De oorzaak van dit alles wordt er direct bij genoemd: ‘De aarde is door haar bewoners ontheiligd: zij hebben de voorschriften overtreden, zijn aan de wetten voorbijgegaan en hebben het eeuwig verbond gebroken.’.

Ook Jeremia laat zien dat de milieuproblemen op aarde zijn ontstaan door het gedrag van mensen: Jer.12:4:’Hoe lang zal de aarde nog treuren, zullen gras en bloemen verdorren? Het vee en de vogels komen om door de wandaden van haar bewoners,.’

De profeet Hosea brengt het lijden van de schepping wel het meest nadrukkelijk in verband met de afval van God. Hosea 4:1 t/m 3: De Heer voert een geding tegen de inwoners van dit land, want zij kennen geen eerlijkheid meer en geen liefde, en met God zijn ze niet meer vertrouwd. Het is een en al meineed en bedrog, niets dan moord, diefstal en overspel: het ene bloedbad volgt op het andere. Daarom is het land in rouw gedompeld en bezwijken al zijn inwoners, mét de dieren van het veld en alles wat vliegt; zelfs de vissen in zee sterven uit.’.

Een soortgelijke situatie wordt beschreven in Joël 1:10-13: ’Het veld is verwoest, de dorre grond treurt, want het koren is vernield, de wijn verdroogd, de olie verloren. Toon je verslagenheid, boeren, barst uit in gejammer, wijnbouwers, om de tarwe en om de gerst, want de oogst van het
veld is verloren gegaan. De wijnstok is verdroogd, de vijgenboom verdort; granaatappel, dadelpalm en appelboom, ja alle bomen zijn verdord. Verdord is ook de vreugde onder de mensen.’.

Uit deze en soortgelijke teksten blijkt steeds weer de grote verantwoordelijkheid die op de schouders van de mens als beelddrager van God rust. Het is duidelijk dat het lijden van de schepping onlosmakelijk samenhangt met het handelen van de mens. Het niet in acht nemen van Gods goede leefregels leidt uiteindelijk tot een onleefbare wereld, zowel moreel als materieel, zowel voor de mens als voor de hele schepping.

Toch zullen we niet bij het lijden van de schepping mogen blijven staan. De gehele schepping is namelijk ook in het verlossingswerk van de Here Jezus betrokken. Paulus zegt daarover in Romeinen 8:18: ‘Ik ben ervan overtuigd dat het lijden van deze tijd in geen verhouding staat tot de luister die ons in de toekomst zal worden geopenbaard. De schepping ziet er reikhalzend naar uit dat openbaar wordt wie Gods kinderen zijn.’.
Even verder schrijft Paulus dat de schepping aan zinloosheid is onderworpen, maar ze heeft ook hoop gekregen ‘omdat ook de schepping zelf zal worden bevrijd uit de slavernij van de vergankelijkheid en zal delen in de vrijheid en luister die Gods kinderen geschonken wordt.’ (Romeinen 8:21).

Verloste schepping

Ook in Psalm 36:7 is te lezen dat de Here God ‘Mens én dier verlost’: ‘Uw gerechtigheid is als de machtige bergen, Uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan; U, Heer, bent de redder van mens en dier.’.

God betrekt in het verbond dat Hij met Noach sluit nadrukkelijk ook de rest van de schepping (Gen.9:8-17). In dit Bijbelgedeelte wordt dat liefst vier keer gemeld. Als het gaat over de regenboog zegt God tegen Noach: ‘dit is het teken van het verbond dat ik met alle levende wezens op aarde gesloten heb.’.
Die eenheid in de schepping en de wijze waarop de mens daarmee om zou moeten gaan blijkt uit tal van andere Schriftplaatsen. Zo gold het ‘sabbatsgebod’ voor de Israëlieten, maar tegelijkertijd ook voor hun vee (Exodus 20:10). De totale samenleving diende tot rust te komen. Gods zorg voor de gehele schepping komt daarin tot uiting.
Hetzelfde geldt voor de regels die God gaf ten aanzien van de schuldverhoudingen. Zo werden blijvende schuldverhoudingen door de instelling van het ‘sabbatsjaar’ voorkomen, terwijl grootgrondbezit werd tegengegaan door de instelling van het zogenoemde ‘jubeljaar’. In het
sabbatsjaar mocht het land niet worden bewerkt en niet worden gemaaid. Dit lezen we in Exodus 23:10: ‘Zes jaar achtereen mag je je land inzaaien en de oogst binnenhalen. Maar het zevende jaar moet je je land braak laten liggen en het met rust laten, dan kunnen de armen onder jullie er van eten; wat zij nog overlaten is voor de dieren van het veld. Met je wijngaard en olijfgaard moet je hetzelfde doen.’.

Hetzelfde lezen we uitgebreider in Lev. 25:1-7. Dat God zwaar aan deze instelling tilde blijkt wel uit 2 Kron.36:21 waar de ballingschap naar Perzië in verband wordt gebracht met het niet in acht
nemen van het sabbatsjaar. Er staat: ‘Zo ging in vervulling wat de Heer bij monde van Jeremia had voorzegd. Zeventig jaar bleef het land braak liggen en had het rust, totdat alle niet in acht genomen sabbatsjaren vergoed waren.’. Hetzelfde wordt gezegd in Lev.26:34 en 35.

De harde les van de ballingschap heeft blijkens Neh.10:32 wel vruchten afgeworpen: het land zou elk zevende jaar weer braak blijven liggen en schulden zouden niet meer worden ingevorderd. De heilzame regels zoals God die had gegeven werden weer nageleefd. Neh.10:32: ‘Ook zullen wij de waren en de verschillende graansoorten die de bevolking van het land ons te koop aanbiedt niet van hen kopen, op de sabbat noch op feestdagen, en elk zevende jaar zullen wij het land braak laten
liggen en alle schulden kwijtschelden.’.

De Bijbel geeft naast bovengenoemde, het maatschappelijk leven ordenende regels, ook vele wat meer eenvoudige gedragsregels en wijsheden door. Zo lezen we b.v. in Deut.23:13 dat men de uitwerpselen diende te begraven. De Spreukendichter leert ons in Spreuken 12:10: ‘Een
rechtvaardige zorgt goed voor zijn vee, een goddeloze is alleen maar wreed.’

Verantwoord rentmeesterschap

In het voorgaande is al enkele malen geconstateerd dat met betrekking tot het beheer van de schepping de positie van de mens ten opzichte van God goed te vergelijken is met de positie van de rentmeester ten opzichte van zijn heer. Ook in de Bijbel komen we het motief van rentmeester en heer meerdere malen tegen. Zo lezen we in 1 Petrus 4:10: ‘Laat ieder van u de gave die hij van God gekregen heeft, gebruiken om de anderen daarmee te helpen, zoal het goede beheerders van Gods veelsoortige gaven betaamt. Als ‘goede rentmeesters’ stond er in de NBG51. Het rentmeesterschap is in deze tekst niet beperkt tot materiële zaken, het strekt zich uit over alle talenten die we ontvangen hebben. Op alle terreinen van het leven zouden we dit motief eigenlijk van toepassing moeten verklaren. Het is niet slechts een economische norm maar een levenshouding betreffende de totale werkelijkheid.

Een rentmeester legt eens in de zoveel tijd verantwoording af van het door hem of haar gevoerde beheer. In Lucas 16:2 staat te lezen: ‘De rijke man riep de rentmeester bij zich en zei tegen hem: ‘wat hoor ik over jou?’, Leg verantwoording af van je beheer, want je kunt niet langer rentmeester blijven.’. Ook wij zullen eens verantwoording af moeten leggen over het door ons gevoerde beheer van de schepping. Dan zal gelden: ‘En als jullie onbetrouwbaar blijken met wat een ander toebehoord, wie zal jullie dan geven wat jullie zelf toekomt?’ (Lucas 16:12).

Het is duidelijk, het rentmeesterschap kan goed of slecht worden uitgevoerd. Christenen zullen alles op alles moeten zetten om het ambt van rentmeester zo goed mogelijk uit te oefenen. Begrippen als: schoonheid, reinheid, zorgvuldigheid, creativiteit, selectiviteit, duurzaamheid, soberheid, diversiteit, stabiliteit, zuinigheid, harmonie, trouw, rust en integriteit, zijn bij dat alles nastrevenswaardig.

Het voorgaande wekt de indruk dat we als christen met verheven zaken bezig zijn. In bepaald opzicht is dit ook zo, maar ook in eenvoudige en praktische zaken zijn bovenstaande begrippen bruikbaar. Zo toont in Lucas 13:6-9 de wijngaardenier tegenover zijn heer bezonnenheid en geduld, door niet één, twee, drie de conclusie van de heer te delen. De heer was na drie jaar vruchteloosheid van de vijgenboom die in de wijngaard groeide, tot de conclusie gekomen: hak maar om, de boom is niet tot nut. De wijngaardenier echter, wilde de boom nog enige tijd geven. Met wat extra maatregelen, met wat extra zorg was de boom misschien nog in bloei te krijgen! De waan van de dag behoeft niet altijd de doorslag te geven…

De spijziging van de 5000 mannen, vrouwen en kinderen niet meegerekend, werd besloten met het inzamelen van het overschot: twaalf manden met brokken brood! Uit dit gegeven spreekt een geest van soberheid en reinheid waar we in onze wegwerpmaatschappij het nodige van kunnen leren. Zo
zijn er heel wat schriftgegevens te vinden van waaruit we concreet lijnen kunnen trekken naar onze handel en wandel en ons doen en laten van elke dag. Punt is dat we er een open oog voor moeten willen hebben en dat we er ons in onze standpuntbepaling door moeten willen laten leiden.

Woorden en daden

Het komt er op aan dat het voor ons een realiteit is dat we, wanneer we Gods Koninkrijk en Zijn gerechtigheid zoeken, geloven dat al het andere ons bovendien geschonken zal worden. Wat daarbij nodig is dat is dat onze woorden en daden met elkaar in overeenstemming zijn. Het Hebreeuws
brengt dat mooi tot uitdrukking door voor ‘woord’ en ‘daad’ hetzelfde woord te gebruiken: ‘Dabar’.

Jacobus 2:14-17 schrijft daarover ook helder: ‘Broeders en zusters, wat heeft het voor zin als iemand zegt te geloven, maar hij handelt er niet naar? Zou dat geloof hem soms kunnen redden? Als een broeder of zuster nauwelijks kleren heeft en elke dag eten tekort komt, en één van u zegt dan: ‘Het ga je goed! Kleed je warm en eet smakelijk!’ zonder de ander te voorzien van de eerste levensbehoeften –wat heeft dat voor zin? Zo is het ook met het geloof: als het zich niet daadwerkelijk bewijst, is het dood.’.

21 januari 2019