De Groene Goede Herderkerk in onze maatschappelijke context

Inleiding

De discussie over de problemen rond ‘natuur en milieu’, ‘klimaat’, ‘vervuiling’ en ‘verspilling’, staan de laatste jaren weer centraal in het politiek-maatschappelijke debat. ‘Energietransitie’ is het hedendaagse begrip waarmee wordt aangegeven dat we fundamenteel anders om moeten gaan met de ons ter beschikking staande voorraden energie, grondstoffen en ruimte. Dat we uiteindelijk af zullen moeten van het gebruik van fossiele brandstoffen. Dat we de opwarming van de aarde tegen moeten gaan en daarom de uitstoot van ‘broeikasgassen’ zullen moeten minimaliseren. Fossiele brandstoffen zullen in de toekomst hooguit nog selectief worden ingezet. Fossiele brandstoffen zijn immers per definitie eindig.

We noemen het begrip energietransitie ‘hedendaags’, de realiteit is echter dat de daarmee beoogde aanpak helemaal niet zo hedendaags of nieuw is. Al decennialang wordt opgeroepen tot een ander, duurzaam consumptiegedrag en een daarmee samenhangende duurzame levensstijl. Daarbij wordt dan vaak gesteld dat we de aarde te leen hebben gekregen van onze kinderen en kleinkinderen. Die mogen van ons verwachten dat ook zij in de toekomst in staat zullen zijn een redelijke en duurzame levensstandaard in stand te houden. Vanuit levensbeschouwelijke optiek wordt deze benadering vaak getypeerd met het begrip ‘rentmeesterschap’. Dit begrip impliceert dat we over onze ‘handel en wandel’, over ons ‘doen en laten’, verantwoording zullen moeten afleggen, zowel naar de komende generaties als naar onze Schepper.

Pleidooien voor duurzaamheid

Alle in het verleden gevoerde pleidooien voor een duurzame levensstijl ten spijt, steeds weer bleken alle mooie woorden over duurzaamheid, niet of onvoldoende te worden gevolgd door duurzame daden. Zo schreef Rachel Carson midden jaren 60 haar boek ‘Silent Spring’ over de gevolgen van het massale bestrijdingsmiddelengebruik. Haar boek maakte wereldwijd veel discussie los. Begin jaren 70 publiceerde de ‘Club van Rome’ haar rapport ‘Grenzen aan de groei’. Daarin werd cijfermatig duidelijk gemaakt dat de natuurlijke hulpbronnen op enig moment uitgeput raken, dat de voorraden fossiele energie en mineralen eindig zijn en dat we de grenzen hiervan alleen tot onze eigen schade en schande kunnen veronachtzamen. Gedurende de jaren tachtig schreef de voormalige Noorse premier GroHarlem Brundtland het naar haar genoemde Brundtlandrapport, ‘Our Common Future’. Daarin introduceerde zij het begrip ‘sustainable development’: duurzame ontwikkeling. Eind jaren 80 werd de noodzaak tot maatregelen in Nederland weer op de agenda geplaatst dankzij de RIVM- publicatie ‘Zorgen voor Morgen’. Uit die tijd stamt ook het begrip ‘ecologische voetafdruk’. En in 2005 drukte Al Gore ons met zijn film: ‘An Inconvenient Truth’, een ongemakkelijke waarheid, opnieuw met de neus op de klimatologische feiten.

Een nieuw pleidooi: klimaatbeleid

Momenteel staan de wereldwijde toename van CO2-emmissie en de daarmee samenhangende milieuproblemen als: klimaatverandering, het smelten van de poolkappen, de stijging van de zeespiegel en de daarmee samenhangende verstrekkende mondiale gevolgen, centraal op de politieke agenda. Dit leidde in december 2015 uiteindelijk tot een doorbraak op de Klimaatconferentie van Parijs. Tijdens die conferentie werden voor het eerst wereldwijde bindende afspraken gemaakt. De Klimaatconferentie van Parijs en het daaruit voortvloeiende Klimaatverdrag, dat op 22 april 2016 in New York door 174 landen werd ondertekend, hebben krachtig bijgedragen aan het bewustzijn dat handelen noodzakelijk is. In het zogeheten ‘Akkoord van Parijs’ wordt de bovengrens van 2 graden opwarming ten opzichte van het ‘pre-industriële tijdperk’ voor het eerst bindend vastgelegd. Bovendien wordt het streven om de opwarming beperkt te houden tot 1,5 graad benoemd. Het Klimaatverdrag stelt verder dat er een eind moet komen aan het gebruik van fossiele brandstoffen, aangezien dit een belangrijke oorzaak is van de overmatige CO 2 -uitstoot. Het verdrag vereist bovendien van de lidstaten dat ze jaarlijks nationale klimaatplannen opstellen. Tenslotte is opgenomen dat van de rijke landen wordt verwacht dat zij ontwikkelingslanden financieel zullen steunen bij het terugbrengen van hun eigen uitstoot.

Weersextremen

De toename van de uitstoot van broeikasgassen heeft vergaande gevolgen (gehad) voor de samenleving, wereldwijd. Denk aan de toename van uitzonderlijke weersomstandigheden. Enerzijds hittegolven en extreme droogte en daarmee samenhangende grootschalige bosbranden. Anderzijds
extreme neerslag in de vorm van regen, hagel en sneeuw. En wat te denken van het toenemend aantal orkanen en de toenemende kracht daarvan. Dergelijke extremen leiden tot aantasting van natuurlijke ecosystemen, tot bedreiging van de voedselproductie, tot schade aan de volksgezondheid en tot het ontstaan van migratiestromen. Het zal duidelijk zijn dat al deze klimatologische omstandigheden ook gevolgen hebben voor de economie, zowel lokaal, regionaal, nationaal als mondiaal. En dan hebben we het nog niet eens over al het menselijk leed dat nu al wordt veroorzaakt door deze steeds extremer wordende klimatologische omstandigheden.

Nationaal klimaatbeleid

In Nederland leek de noodzaak om gezamenlijk een voortvarend klimaatbeleid te formuleren en tot uitvoering te brengen op een breed politiek-bestuurlijk draagvlak te kunnen rekenen. Zeven politieke partijen (GL, PvdA, D66, CU, VVD, CDA en SP) uit de Tweede Kamer dienden gezamenlijk een
ontwerp-Klimaatwet in. Daarmee beoogde men de doelstellingen uit de Overeenkomst van Parijs (aangescherpt) in nationale wetgeving te verankeren. De Klimaatwet stelt dat de broeikasgassen in 2030 met 49 procent moeten zijn teruggebracht ten opzichte van 1990. In 2050 moet dan een verdere verlaging tot 95 procent worden bereikt. In dat jaar dient ook de gehele elektriciteitsproductie volledig duurzaam te zijn. Het kabinet moet zoals gezegd jaarlijks met concrete plannen en een klimaatbegroting laten zien hoe zij dit alles voor elkaar denkt te krijgen. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) krijgt bij dit alles een belangrijke controlerende taak.

Tijdens de behandeling van de Klimaatwet, die op 20 december 2018 door de Tweede Kamer werd vastgesteld, bleken de opvattingen over enkele belangrijke onderdelen van de wet nog behoorlijk uiteen te lopen. Die tegenstellingen kwamen ook al tot uiting tijdens de voorbereidende
‘klimaattafels’, waar ruim honderd delegaties uit bedrijfsleven, werknemersorganisaties, maatschappelijke organisaties en de overheid, maatregelen ontwikkelden op grond waarvan de doelen uit de Klimaatwet gerealiseerd zouden kunnen worden. De verschillen van inzicht spitsten
zich met name toe op de vraag of de grote bedrijven via een CO2-heffing dan wel via een boete op teveel geproduceerd CO2 moeten worden geprikkeld om het klimaatbeleid handen en voeten te geven. Vlak voordat de uitkomsten van de Klimaattafels openbaar werden gemaakt stapten enkele milieuorganisaties en de vakbond-FNV uit het overleg. Naast de discussie over een CO2-heffing voor de grote bedrijven zijn nogal wat politieke partijen bezorgd over de betaalbaarheid van het klimaatbeleid voor de huishoudens en dan met name voor de lagere inkomens. De VVD leek zich begin dit jaar zelfs te distantiëren van de klimaatafspraken uit het Regeerakkoord.
Hoe dat ook zij, de klimaattafels hebben al met al zo’n 600 maatregelen op tafel gelegd. Deze voorstellen worden momenteel doorgerekend door het Centraal Plan Bureau (CPB) en door het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Op basis van die doorrekeningen zal ‘de politiek’ komend voorjaar knopen moeten doorhakken. Dan zal blijken of de politiek de klimaatproblematiek en de ernst van de situatie werkelijk serieus neemt en of zij daadwerkelijk tot de noodzakelijke maatregelen durft te besluiten. Maatregelen waarbij uiteraard sprake zal moeten zijn van een eerlijke lastenverdeling tussen overheid, bedrijfsleven en huishoudens. Wat echt niét meer kan dat is dat de samenleving voor de zoveelste keer haar verantwoordelijkheid zal ontlopen en de wereldwijde klimaatproblemen weer op zijn beloop zal laten. Dat is naar onze (klein)kinderen noch naar onze Schepper meer te verantwoorden.

Actie Groene Kerk

Met het oog op dat laatste is het mooi te kunnen constateren dat momenteel steeds meer geloofsgemeenschappen, (lokale) kerken en individuele christenen hun verantwoordelijkheid nemen en actief willen bijdragen aan de aanpak van de klimaatproblemen, aan de stimulering van een duurzame levensstijl en aan een zorgvuldig beheer van de schepping. In het verleden bleken kerken en gelovigen, waar het duurzaamheid en milieuproblematiek betreft, kinderen van hun tijd te zijn. Men was wel betrokken maar liep, inzake het natuur- en milieubeleid, niet voorop. Lange tijd was het geloof vooral gericht op de geestelijke aspecten van het leven en minder op de materiële aspecten. Natuurlijk, er waren ook op het christelijk erf voorlopers en visionairs. Zo publiceerde Prof. Bob Goudzwaard begin jaren 70 zijn ‘Schaduwen van het groei-geloof’. In diezelfde jaren schreef de in Nederland veel gelezen Amerikaanse filosoof Francis.A.Schaeffer een christelijke visie op ecologie: ‘Milieuvervuiling en de dood van een mens’. Ook voormalig senator Prof. Egbert Schuurman en toenmalig Tear-directeur Drs. Jan van Barneveld (‘Genoeg moet ook genoeg zijn’) waarschuwden vroegtijdig voor de enorme milieuproblemen die op de mensheid afkwamen. Zij allen riepen de christenen in Nederland begin jaren 70 al op om, met het oog op de milieuproblematiek en het beheer van de schepping, verantwoordelijkheid te nemen en een verantwoorde levensstijl te ontwikkelen. Rond de publicatie van het RIVM-rapport ‘Zorgen voor morgen’ (1989), vond op het christelijk erf het zogeheten ‘Conciliair Proces’ plaats. In dit kader werd, onder het motto ‘heelheid van de schepping’, diepgaand nagedacht over de oorzaken en de aanpak van de milieuproblemen en de mogelijkheid van een meer duurzame levensstijl.

De organisaties ‘Kerk in Actie’ en ‘Tear’, roepen, onder het motto ‘Groene Kerk’, kerkelijke gemeenten op om in actie te komen en daadwerkelijk mee te doen met de aanpak van de klimaatproblemen. In dat kader zijn allerlei mogelijke maatregelen bedacht. Daarnaast kunnen lokale Groene Kerken deelnemen en bijdragen aan netwerkactiviteiten die tot doel hebben kerken te helpen verduurzamen. Groene-Kerken-actie heeft daarbij een enthousiasmerende en motiverende rol. De actie-Groene-kerken biedt geloofsgemeenschappen ook een platform om te laten zien hoe je duurzaamheid vorm kan geven in je eigen omgeving in het klein en in het groot. Daarbij gaat het er niet alleen of in de eerste plaats om dat een kerkgebouw zo duurzaam mogelijk wordt gemaakt door allerlei isolatiemaatregelen te treffen of door het hele kerkdak vol te leggen met zonnepanelen. Natuurlijk is het heel mooi als een kerkgebouw op die manier bij wijze van spreken klimaatneutraal wordt gemaakt. Maar het zou nog mooier zijn wanneer, vanuit de bezinning op een verantwoord beheer van de schepping, de héle kerkelijke gemeenschap, zowel gezinnen als individuele gelovigen, gestimuleerd worden over een duurzame levensstijl na te denken en op basis daarvan individueel, als gezin en als lokale kerkgemeenschap daadwerkelijk tot een duurzaam keuzegedrag en een duurzame levensstijl te komen.

Kerken en geloofsgemeenschappen hebben in beginsel veel in huis om mensen te motiveren en te enthousiasmeren. Het is verheugend te zien dat steeds meer predikanten zich betrokken weten bij de wereldwijde ecologische crisis en bij de morele en ethische aspecten daarvan, maar ook bij de aanpak van die problemen.

Zo voert dominee Gert Hutten een pleidooi om niet zozeer prioriteit te geven aan het straffen van slecht gedrag, maar vooral aan het stimuleren van goed gedrag. Wij zijn, aldus Hutten, te snel tevreden wanneer ons slechte gedrag afneemt. Zonde is niet alleen verkeerd doen, maar ook het nalaten van het goede. Door goed te doen mogen we meewerken aan het overwinnen van het kwade. Bij de aanpak van de milieuproblemen is onder christenen, reductie van de problemen jarenlang het credo geweest. Maar we zullen dingen volgens Hutten vooral béter moeten doen, niet alleen maar minder slecht. God wil vanuit Zijn liefde en genade ons gedrag veranderen. Er is daarom veel reden om moed te hebben en om dankbaar en krachtig te zijn.

Dominee Jasper Klapwijk signaleert bij nogal wat christenen nog steeds een houding van: ‘waarom zouden we ons zorgen maken over de vervuiling. God zal de aarde toch nieuw maken?’. Op grond van die houding hebben we de schepping en God als Schepper echter ernstig tekort gedaan. Wij hebben juist de opdracht om goed met de schepping, de planten en de dieren, om te gaan. Met Zijn schepping laat God ons Zijn grootheid zien. Het is in wezen natuurlijk treurig dat Gods schepping eerst in crisis moet komen voordat wij iets doen. God wil dat aan de principes van Zijn Koninkrijk wordt vastgehouden en die staan vaak haaks op het materialisme dat ons in de greep heeft. Toewijding aan God heeft positieve gevolgen voor de schepping. Hij zal zeker alles nieuw maken, maar tot die tijd moeten wij als goede rentmeesters met Gods eigendom om blijven gaan.

Wij hopen dat onze werkgroep binnen de lokale kerkgemeenschap van de Goede Herder Kerk, maar ook in het persoonlijk leven van onze kerkleden mag bijdragen aan het nadenken over de klimaatproblematiek, maar vooral ook aan de vraag welke keuzes wij willen maken om die problemen daadwerkelijk het hoofd te kunnen bieden. De tijd is rijp om te handelen…

januari 2019